Commentaar: De dood zal sterven

Crematorium Eikelenburg aan de Eikelenburglaan in Rijswijk. beeld Remco Suiker Remco Suiker

Honderd jaar geleden vond de eerste crematie in Nederland plaats. De arts dr. C. J. Vaillant uit Schiedam, hoofdbestuurslid van de Vereeniging tot invoering van de lijkverbranding in Neder­land, liet zich op 1 april 1914 cremeren in Crematorium Westerveld. Wettelijk gezien was de crematie illegaal, maar justitie besloot het te gedogen.

Vaillant was overigens niet de eerste Nederlander die zich liet cremeren. Dat was waarschijnlijk de schrijver Eduard Douwes Dekker, beter bekend onder het pseudoniem Multatuli. Hij werd in 1887 in Duitsland gecremeerd en werd zo de eerste Nederlander van wie geregistreerd werd dat hij gecremeerd was. De afgelopen decennia werd cremeren steeds populairder, en inmiddels worden er in Nederland meer mensen gecremeerd dan begraven.

In orthodox-christelijke kring is de grote weerstand tegen cremeren echter gebleven. Dat heeft te maken met het feit dat in het Jodendom, de godsdienst waarin het christendom wortelt, cremeren verboden is. Voor Joden is het van het grootste belang dat het lichaam van de overledene op geen enkele manier verminkt wordt. De mens is immers drager van het beeld van God. En dat beeld mag nooit door mensen worden verminkt.

Het geloof in de wederopstanding van het lichaam is een argument dat Joden en christenen gemeen hebben in het afwijzen van crematie. Het proces van verbranding vernietigt het lichaam. Daarbij was crematie, vooral vroeger, niet zelden een statement, een protest, tegenover het geloof in de wederopstanding van het lichaam.

Voor christenen die crematie afwijzen, is daarbij een belangrijk argument dat de Heere Jezus, na Zijn dood aan het kruis, begraven werd. In deze weken, voorafgaand aan Pasen, denken christenen wereldwijd na over het lijden en sterven van Jezus om op Pasen –net als iedere zondag– Zijn wederopstanding uit de dood te herdenken en te vieren. Christus is dood geweest, maar Hij leeft tot in eeuwigheid. Zijn opstanding heeft de dood de principiële doodssteek gegeven.

In dat licht bezien is voor christenen de begrafenis van het lichaam een dubbele belijdenis geworden.

Het is een belijdenis dat Christus de dood heeft overwonnen en dat het laatste woord is aan die God voor Wie ook de doden levend zijn (Lukas 20:38).

Het is niet minder een belijdenis tegen de laatste vijand, de dood. Nooit wordt die vijand een vriend. De dood is de straf op de zonde. Maar de overwinning die de dood bij ieder sterven behaalt, is een schijnoverwinning. Zij die geloven in Christus sterven wel, maar worden begraven in de wetenschap dat Jezus de dood gedood heeft.

En zo klinkt bij iedere begrafenis, tegen alle ver­twijfeling en verdriet in, het doodsvonnis van de dood: „Dood, je zult sterven.” Eens zal het laatste graf op aarde gedolven worden en daarin zal de dood voorgoed begraven worden.

Op de nieuwe aarde zal geen begraafplaats meer te vinden zijn. Omdat de dood niet meer zijn zal.

„Want de eerste dingen zijn weggegaan” (Open­baring 21:4).