Chiliasme past prima bij gereformeerde theologie

beeld ANP ANP

De verwachting van een (duizendjarig) vrederijk is goed te verenigen met de gereformeerde theologie, reageert ds. M. Klaassen op ds. W. de Bruin (RD 6-10).

Staan de gereformeerde theologie en het chiliasme op gespannen voet met elkaar? Dat suggereert ds. W. de Bruin in zijn kritische artikel over het onlangs gepubliceerde Israëldocument ”Onopgeefbaar verbonden”. Op allerlei punten ziet hij in dit document invloed van het zogheten dispensationalisme. Hij meent dat de gereformeerde (verbonds)theologie een slechte partner is van dit denken, een gedachte die ik overigens deel.

Mijn kritiek richt zich echter op een andere door ds. De Bruin geuite bewering: dat de gereformeerde theologie onverenigbaar is met een of andere vorm van chiliasme. Onder chiliasme versta ik de opvatting dat er op enig moment in de toekomst sprake zal zijn van een (duizendjarig) vrederijk, een fase in de heilsgeschiedenis van grote geestelijke bloei.

In het artikel van ds. De Bruin is sprake van twee misvattingen. In de eerste plaats is het idee van een vrederijk niet afkomstig uit het in de 19e eeuw ontstane dispensationalisme. Het dispensationalisme kent deze gedachte inderdaad, maar het chiliasme zelf is veel ouder. De kerkhistoricus Donald Fairnbairn heeft aangetoond dat het chiliasme de heersende opvatting was in de kerk van de eerste eeuwen. De beweging naar een niet-chiliastische opvatting van de heilsgeschiedenis begon pas in de derde eeuw en kreeg een sterke stimulans door Augustinus’ opvatting over de heilsgeschiedenis.

In de tweede plaats is de bewering dat de gereformeerde (verbonds)theologie niet te verenigen is met de chiliastische gedachte, veel te kort door de bocht. Na meer dan duizend jaar omstreden te zijn, kwam het chiliasme juist in de periode na de Reformatie weer terug, onder andere in het puritanisme. Een van de redenen die hieraan hebben bijgedragen, is het reformatorische principe om de Schrift letterlijk te nemen in wat deze zegt. Daarom kom je de gedachte van een toekomstig vrederijk tegen bij volbloed gereformeerde theologen als Brakel, Van der Groe, Edwards en –later – Spurgeon, Ryle en Bonar.

Nauw verbonden met dit chiliasme is de visie op de bekering van Israël. De gedachte dat God Israël eerst zal terugbrengen in zijn land en daarna tot geloof in de Messias zal brengen, is dus niet dispensationalistisch van aard, maar kom je ook al tegen bij de 17e-eeuwse theoloog Brakel. En J. C. Ryle schreef in 1868: „Ik kan u aantonen op grond van de Schrift dat de Joden waarschijnlijk eerst in een onbekeerde toestand verzameld worden en daarna zullen ze leren om op Hem te zien die ze doorstoken hebben, door veel strijd en verdrukking heen.”

Waarom geloofden deze gereformeerde theologen hierin? Omdat zij ervan overtuigd waren dat de Schrift een profetisch tegoed bevat dat nog uitstaat en niet tot vervulling is gekomen. Daar hoort de terugkeer en bekering van Israël bij, daar hoort ook het toekomstige Messiaanse vrederijk bij.

Kortom: het chiliasme op zich staat niet op gespannen voet met de grondbeginselen van de gereformeerde dogmatiek en hermeneutiek. Het past voluit binnen de bedding van de brede stroom van de gereformeerde traditie.

De auteur predikant van de hervormde gemeente Sliedrecht.