Psychiatrische patiënt niet altijd gebaat bij medicijnen

beeld Fotolia
3

De Deense hoogleraar Peter Gøtzsche heeft in het afgelopen decennium met zijn kritische publicaties ongetwijfeld heel wat vijanden gemaakt. In zijn meest recente boek komt de psychiatrie er niet goed van af. De beroepsgroep wil er alleen niet aan.

Gøtzsche houdt van statistiek en onderzoeksmethodologie. Hoeveel wetenschappers die liefde delen, is de vraag. Voor kwalitatief goed onderzoek zijn deze aspecten wel essentieel.

Als hoogleraar ontwerp en analyse van klinisch onderzoek en medeoprichter van de Cochrane Collaboration, een onafhankelijk en gezaghebbend instituut dat onderzoek doet naar de effectiviteit van geneesmiddelen, weet Gøtzsche hoe hij geneesmiddelenstudies moet beoordelen: de sterke en zwakke punten van een studieopzet, de bewijskracht van het onderzoek én de manier waarop uitkomsten gemanipuleerd kunnen worden.

Een grootschalige analyse van de uitkomsten van het bevolkingsonderzoek op borstkanker resulteerde in 2012 in Gøtzsches eerste kritische boek: ”Mammography Screening. Truth, Lies and Controversy” (Mammografiescreening. Waarheid, leugens en controverse). De Deense statisticus beargumenteert hierin dat de straling waaraan vrouwen worden blootgesteld door het bevolkingsonderzoek uiteindelijk meer gevallen van borstkanker oplevert dan dat er daarmee kunnen worden voorkomen. Een boodschap die –uiteraard– op tegenstand stuitte van de beroepsgroep. Zo werd een wetenschappelijke publicatie van Gøtzsche over mammografie in 2006 online gepubliceerd door het European Journal of Cancer, maar later weer verwijderd, overigens zonder dat het artikel officieel werd teruggetrokken.

In tal van landen is mammografiescreening nog altijd de gangbare manier om borstkanker op te sporen. Toch zijn er steeds meer artsen die zich uitspreken tegen het onderzoek omdat ze ervan overtuigd zijn geraakt dat het uiteindelijk meer vrouwen schaadt dan baat.

Doodsoorzaak

In 2013 verscheen Gøtzsches vuistdikke boek ”Deadly Medicines and Organised Crime. How Big Pharma has Corrupted Healthcare” (in 2015 in het Nederlands verschenen onder de titel ”Dodelijke medicijnen en georganiseerde misdaad. Achter de schermen van de farmaceutische industrie”). Gøtzsche betoogt hierin –in niet altijd even diplomatieke bewoordingen– dat de frauduleuze praktijken van geneesmiddelenfabrikanten de gezondheid van tal van mensen schaden in plaats van baten. In de Verenigde Staten en Europa zijn medicijnen zelfs de derde doodsoorzaak, na kanker en hart- en vaatziekten. Het zal niemand verwonderen dat ook dit boek veel kritiek oogstte.

In ”Dodelijke medicijnen” wijdde Gøtzsche 62 van de 453 pagina’s aan medicijnen die worden gebruikt in de psychiatrie. Hij komt daarin tot de conclusie dat „sommige geneesmiddelen sommige patiënten soms kunnen helpen”, maar dat het „onloochenbaar is dat hun beschikbaarheid meer kwaad dan goed doet.” Bij wijze van wederhoor plaatste Medisch Contact begin december 2015 een interview met Ralph Kupka en Aartjan Beekman, respectievelijk hoogleraar bipolaire stoornissen en hoogleraar psychiatrie. De kop van het artikel vat hun betoog goed samen: ”Het ongelijk van een Deense internist”.

Ze onderbouwen hun tegengeluid overigens met allerlei gemeenplaatsen; een verwijt dat ze Gøtzsche allerminst kunnen maken. Dick Bijl, arts en hoofdredacteur van het onafhankelijke Geneesmiddelenbulletin (GeBu), signaleert dat ook in het Medisch Contact van 2 juni 2016: „Over de feitelijke informatie in zijn boek hoor ik niemand, dat is eigenlijk wel ernstig. Dat boek roept veel discussie op, maar die verzandt veelal in elkaar zwartmaken, terwijl het moet gaan over de feiten.”

Ontkenning

In Gøtzsches meest recente boek, ”Dodelijke psychiatrie en stelselmatige ontkenning”, valt de beoordeling van het nut van medicatie voor psychiatrische aandoeningen bepaald niet beter uit. Dat een belangrijk deel van de beroepsgroep het minimale effect dat keer op keer uit meta-analyses blijkt, stelselmatig ontkent, kan Gøtzsche slecht verkroppen. De manier waarop hij over deze psychiaters schrijft, is bepaald niet vleiend en het is logisch dat dit geïrriteerde reacties oplevert vanuit het veld. Overigens wacht Gøtzsche zich er wel voor om alle psychiaters over één kam te scheren.

Dat neemt niet weg dat hij uiterst kritisch is op de behandeling van psychiatrische aandoeningen met medicijnen. Onder meer depressie, angst, ADHD, bipolaire stoornis en schizofrenie passeren in het bijna 500 pagina’s tellende boek de revue. Steeds klinkt zijn conclusie na analyse van studies over de werkzaamheid van de voorgeschreven medicatie als een –niet al te vrolijk stemmend– refrein: er wordt creatief omgegaan met de onderzoeksgegevens om in publicaties maar tot een positief resultaat te komen. „In de psychiatrie zijn allerlei belanghebbenden voortdurend bezig om onwelkome feiten weg te moffelen. Uit placebo-gecontroleerd, gerandomiseerd, dubbelblind onderzoek (dat evenwel vaak minder blind is dan beoogd) blijkt consequent dat niet patiënten, maar uitsluitend psychiaters denken dat geneesmiddelen effectief zijn.”

Schadelijke bijwerkingen worden nogal eens weggepoetst of gebagatelliseerd, aldus Gøtzsche. Uit de –veelal onoverzichtelijke brij aan– studiegegevens maakte hij na zorgvuldige analyse op dat de medicatie –of juist het plotseling staken daarvan– het risico op zelfmoord kan vergroten, veelal verslavend is, iemand overprikkeld kan maken of juist apathisch.

„Psychiatrie is geen gemakkelijk specialisme”, erkent Gøtzsche in de eerste zin van zijn boek. „Er is een hoop geduld en begrip voor nodig.” Tegelijkertijd vraagt hij zich af waarom „psychiaters zo graag geneesmiddelen voorschrijven die schadelijk of van twijfelachtige kwaliteit zijn? (...) De meeste patiënten reageren niet op de geneesmiddelen die ze slikken. Wanneer patiënten niet vooruitgaan, raken psychiaters vaak zo gefrustreerd dat ze nog meer geneesmiddelen voorschrijven, in steeds hogere doses, hun patiënten nog meer letsel toebrengend. (...) Ik heb dit boek in de eerste plaats geschreven voor psychiatrische patiënten, vooral voor hen die bij hun wanhopige pogingen om van hun geneesmiddelen af te komen door hun artsen hooghartig worden afgewezen.”

Tuchtcollege

Hoe fel de reacties vanuit het veld kunnen zijn, heeft ook Dick Bijl, die het voorwoord schreef voor ”Dodelijke psychiatrie en stelselmatige ontkenning”, inmiddels aan den lijve ondervonden. Begin februari moest Bijl zich bij het Centraal Tuchtcollege (CTG) verweren, in hoger beroep vanwege zijn uitlatingen over de medicamenteuze behandeling van ADHD bij volwassenen. Een psychiater had hem aangeklaagd naar aanleiding van een artikel dat Bijl in het GeBu had geschreven en zijn optreden in het tv-programma Brandpunt. Het Regionaal Tuchtcollege Zwolle wees die klacht af, maar de psychiater ging hierop in hoger beroep, aldus Medisch Contact.

Het afwijzen van een medicamenteuze behandeling betekent trouwens allerminst dat Gøtzsche mensen met psychiatrische problemen aan hun lot wil overlaten. Hij ziet alleen meer in psychotherapie, in de brede zin van het woord. En daar ontvangen de meeste psychiaters maar weinig training in. „Als we voordelen en schadelijke bijwerkingen tegen elkaar afwegen, is psychotherapie veel beter dan geneesmiddelen, maar die laatste worden veel algemener voorgeschreven. (...) Een goede psychotherapeut kan soms opmerkelijke resultaten bereiken, die een leven lang kunnen aanhouden, zonder neveneffecten. Hoewel er slechte therapeuten zijn en het fout kan gaan, is voor mij duidelijk dat de voordelen van psychotherapie opwegen tegen de keren dat het misloopt. Verder kan psychotherapie vaak plaatsvinden in groepen, waardoor ze in tegenstelling tot geneesmiddelen niet duur hoeft te zijn, noch voor het individu, noch voor de samenleving.”

Boekgegevens

Dodelijke psychiatrie en stelselmatige ontkenning. Schadelijke medicijnen, gedwongen behandeling en overdiagnostiek, Peter C. Gøtzsche; uitg. Lemniscaat, Rotterdam, 2016; ISBN 978 90 477 0841 4; 464 blz.; € 24,95.