James Kennedy: Nederlanders komen er samen wel uit

James Kennedy. beeld André Dorst
2

Nederlanders zijn vanouds actieve burgers die het heft in handen nemen. Die lijn ontwaart historicus prof. dr. James Kennedy in de geschiedenis van het land. Vanuit zijn jongste pennenvrucht, een ”beknopte geschiedenis van Nederland”, werpt hij een positieve blik op het heden. „Men is bereid naar elkaar te luisteren.”

Het handboek is geschreven voor Engelstalig publiek, op verzoek van Cambridge University Press, vertelt Kennedy. De historicus is sinds 2015 dean aan het Utrecht University College (UCU). Het interview met hem heeft plaats in zijn werkkamer op de campus, in een van de oude panden van de voormalige Kromhoutkazerne in Utrecht.

Video

„Ik ben ervan uitgegaan dat mensen eigenlijk niets weten over de Nederlandse geschiedenis”, begint Kennedy. „Die mensen heb je ook in Nederland. In het boek passeren echt alle gebeurtenissen de revue, zodat lezers een breed overzicht krijgen. Het voordeel van deze opzet is dat het boek een canoniek karakter heeft.”

Wat onderscheidt uw nieuwe handboek van bestaande handboeken, zoals ”Geschiedenis van de Nederlanden” van Blom & Lamberts?

„Meer dan Blom & Lamberts ben ik me bewust van de ligging van Nederland ten opzichte van het water en ten opzichte van buurlanden en grootmachten. In die zin bevat mijn boek meer internationale betrekkingen.”

U noemt de Nederlandse geschiedenis „groots” en een „onwaarschijnlijk succesverhaal.” Komt uw geschiedschrijving voort uit bewondering?

„Ja, zeker. Nederland heeft zich altijd in een kwetsbare positie bevonden, te midden van grootmachten en van water. Het land zoals het geworden is, had niet per se hoeven te lukken. Ik heb bewondering voor de ordening en voor de rechtvaardigheid die men hier heeft weten te scheppen. Tegelijk probeer ik de duistere kanten van de Nederlandse geschiedenis nergens te verhullen.”

Geschiedenis schrijven betekent ook het verleden indelen in periodes.

„Periodiseren is heel lastig. Ik laat elk van de zeven hoofdstukken beginnen met een soort buitenlandse interventie. Daarmee wil ik laten zien dat de Nederlandse geschiedenis van buitenaf wordt bepaald. Zo loopt de eerste fase tot het jaar 1384, het begin van de Bourgondische periode. Het is het begin van een soort dynastieke machtsconcentratie in Nederland. Het land wordt niet meer alleen bestuurd door lokale en regionale vorsten, maar door huizen van Europees formaat. Daarmee wordt Nederland opgenomen in de grotere Europese politiek.

Een ander voorbeeld: veel moderne historici plaatsen de overgang naar de moderne tijd rond het jaar 1780. Ik kies voor 1795, omdat in dat jaar de revolutionaire Franse legers in Nederland een nieuw regime mogelijk maken.”

U meldt dat de ”Homo Heidelbergensis” al een kwartmiljoen jaar geleden in de zuidelijke Nederlanden lijkt te zijn gesignaleerd. Hoe verhoudt uw boek zich tot de Bijbelse chronologie, die van veel kortere tijden uitgaat?

„Ik constateer wat historici over de oudste tijd hebben gezegd. Ik heb geen pogingen gedaan dit te verbinden met een Bijbelse chronologie. Over de vraag hoe je Bijbelse jaartallen in gewone geschiedenis kunt omzetten, doe ik geen uitspraken. Ik had ook een geologische geschiedenis van Nederland erbij kunnen betrekken, dan ben je overgeleverd aan miljoenen jaren. Wat dat betreft heb ik me beperkt – en die eerste 250.000 jaar gaan in het boek snel voorbij, in twee alinea’s.”

Hoe zou u de Nederlandse religieuze cultuur van de late middeleeuwen typeren?

„Je had in de Nederlanden in de late middeleeuwen een betrekkelijk gealfabetiseerde en stedelijke bevolking. Ze kon haar eigen kritiek hebben op misstanden van de clerus. Opvallend is ook een sterk verinnerlijkt geloof, denk aan de beweging van de Moderne Devotie.”

Was het logisch dat het calvinisme in Nederland voet aan de grond kreeg?

„Je ziet hier burgers die het heft in handen nemen en zaken zelf organiseren. Deze zelforganiserende burgerij, die zelf kerkstructuren kan vormen, is een belangrijke basis geweest voor de Gereformeerde Kerk in de Lage Landen.”

Hoe kijkt u als historicus aan tegen het conflict rond Arminius en de wijze waarop dit werd opgelost?

„De synode van Dordt heeft recht gedaan aan stemmen binnen de kerk. In die zin kun je zeggen dat de synode een overwinning is geweest voor het vermogen van de kerk om zelf de leer te bepalen, in plaats van dat de staat deze bepaalt. Ik zie de Dordtse synode als een vroege uiting van democratisch kerkbestuur: de beslissingen werden gesteund door het grootste gedeelte van de kerk.”

De voorzitter van de synode was een gomarist; hadden de arminianen een eerlijke kans?

„Het was niet de bedoeling om de arminianen ruimte te geven, maar te veroordelen. In die zin was er sprake van doorgestoken kaart. Wel zie je duidelijk twee verschillende visies op de kerk naar voren komen. Aan de ene kant de visie: wij mogen zelf besluiten wat de leer van onze kerk is, en wij hebben het geestelijk gezag dat te doen. Aan de andere kant de visie van de arminianen: het maakt niet uit wat de meerderheid zegt, we willen gewoon een brede volkskerk, voor iedereen toegankelijk en getemd door de staat. Met de synode heeft de eerste visie de overhand gekregen.”

In het hoofdstuk over de negentiende eeuw schrijft u over Thorbeckes ideaal van „een christendom boven geloofsverdeeldheid.” Zou je kunnen zeggen dat dit ideaal in Nederland niet haalbaar is gebleken, en dat elke geloofsrichting het eigen gelijk ging uitventen?

„Rond 1860 kan Thorbecke nog spreken over een christendom boven geloofsverdeeldheid. Je ziet dat daarna het brede christendom dunner en dunner wordt. Thorbecke creëerde een grondwettelijke ruimte waarbinnen iedereen zijn eigen gelijk kon proberen te krijgen. Die ruimte zorgde er tegelijk voor dat er geen eenheid kon komen zoals hem zelf voor ogen stond, en dat het christendom boven geloofsverdeeldheid er niet kwam. Mensen kregen de vrijheid hun eigen kant op te gaan.”

In de negentiende eeuw werd in Nederland de bisschoppelijke hiërarchie hersteld en werden er veel rooms-katholieke kerken gebouwd. Wat vonden protestanten hiervan?

„Ik denk dat onder protestanten het gevoel leefde dat je stad je eigen stad niet meer was. En dat een soort vreemde godsdienst, gedirigeerd uit Rome, steeds meer terrein opeiste in jouw plaats of dorp. Het zal hun een gevoel van ontheemd zijn hebben gegeven, van je bedreigd voelen door deze heel zichtbare tegenmacht.”

Is dit protestantse verdriet uit de negentiende eeuw te vergelijken met de moeite die veel christenen nu hebben met het verrijzen van moskeeën?

„Ja, dat is precies hetzelfde gevoel. En niet alleen christenen hebben daar moeite mee, veel Nederlanders voelen zich op een vergelijkbare manier ontheemd. Je hoort ook mensen die niet naar de kerk gaan zeggen: kerken horen bij dit land, moskeeën niet. De skyline zou nog altijd moeten getuigen van kerktorens.”

Hoe waardeert u dit zelf?

„Ik kan het wel begrijpen. Persoonlijk heb ik meer moeite met de leegstand en het neerhalen van kerken dan met de groei van het aantal moskeeën. Als je de vrijheid van godsdienst en de gelijkheid voor de wet serieus neemt, moet je moslims ook aanvaarden. Gelijke monniken, gelijke kappen.”

Wat betekent voor u het begrip christelijke cultuur?

„Ik denk dat Nederlanders erbij gebaat zijn te zien hoe belangrijk het christendom is geweest voor dit land. Ik vind het wat anders om aan de christelijke geschiedenis rechten te ontlenen. Dus om te zeggen: omdat het christendom zo’n sterke rol heeft gespeeld, moet het nu bevoorrecht zijn tegenover andere godsdiensten.”

Een gebedsoproep vanaf de moskee betekent hetzelfde als het luiden van kerkklokken?

„Ja, daar kun je geen verschil tussen maken. Mensen die kerkelijk zijn, weten dat het luiden van kerkklokken een oproep betekent om samen te komen. Feitelijk is ook dit een soort geloofsbelijdenis: kom en hoor Gods Woord.”

Verwarring en polarisatie lijken de huidige samenleving te bepalen. Hoe kan ons land zich het best oriënteren op zijn geschiedenis?

„Door het boek lopen twee rode lijnen. De eerste is het vermogen om te innoveren, om creatief te zijn. En de andere is het leven en laten leven, een modus vivendi zoeken om met elkaar samen te wonen. Wat ik zie in de geschiedenis is dat Nederlanders er steeds weer met elkaar uitkomen, ondanks moeilijke momenten waarbij het niet gemakkelijk was het land te regeren. Maar wat in het verleden is gebeurd, biedt geen garantie voor de toekomst. Je ziet op dit moment dat de samenleving verbrokkelt en dat klassieke instituten in de samenleving minder zeggingskracht hebben. Het wordt lastiger en moeilijker. Maar ik zie bij Nederlanders nog steeds de bereidheid om naar elkaar te luisteren.”

Is Nederland nog steeds gidsland?

„Het zevende hoofdstuk heet: een progressief gidsland. Aanvankelijk zou ik dit hoofdstuk tot 2002 door laten lopen. Later vroeg de uitgever of ik toch wilde doorgaan tot het heden. De notie van een gidsland had ik beter kunnen verdedigen als ik tot 2002 was gegaan. In de volgende jaren, en dat lees je ook in mijn tekst, zie je dat Nederland wat de term gidsland betreft een stap terug heeft gedaan. Er is een behoudender stemming gekomen. Kijk naar het debat over euthanasie. Dat gaat niet zozeer meer over de vraag: Wat willen we bereiken? Maar: Hoe kunnen we verdedigen wat we hebben bereikt? Het is bij uitstek een conservatieve houding. Het progressieve gedachtegoed wordt nu op een conservatieve manier verdedigd.”

----

Boekgegevens

Een beknopte geschiedenis van Nederland, James C. Kennedy; uitg. Bert Bakker, Amsterdam, 2017; ISBN 97 8903 5131 989; 400 blz.; € 29,99.