Gezichten die een verhaal vertellen

Thomas Jefferson.
3

Wie een gezicht vastlegt, legt de geschiedenis vast. Volgens de Britse historicus Simon Schama is dat wat het kijken naar gezichten ons kan brengen.

Door te kijken naar de foto’s van Charlie Philips uit de Londense wijk Notting Hill in de jaren vijftig zien we met één blik hoe de ziel van deze wijk in die jaren is. Door Winston Churchill in zijn gezicht te kijken –en te weten waarom hij zó boos kijkt– weten we ook hoe leiderschap in zijn tijd werd vormgegeven.

Schama publiceerde ”Het gezicht van een wereldrijk. Groot-Brittannië in portretten”. Volgens hem gaat het bij het bekijken van portretkunst uit het verleden om de verbinding die je kunt maken; om het oogcontact dat tot stand komt. Voor die visie zijn goede papieren: Augustinus zegt al dat ogen de vensters van de ziel zijn. En inderdaad, sommige beelden geven een indrukwekkend overzicht van hun tijd, meer dan woorden kunnen. Zo vertelt Schama het verhaal over Henry Tonks, eerst geneeskundestudent en later docent aan een van Engelands meest vernieuwende en ambitieuze kunstopleidingen, de Slade School of Fine Art. Door zijn leerlingen wordt hij gevreesd vanwege zijn scherpe kritiek. „Je papier is gekreukt, je potlood is bot, je ezel wiebelt, je tekening is afschuwelijk slecht en nu huil je en je hebt niet eens een zakdoek”, is maar één voorbeeld hiervan. Hij leek zijn bestemming gevonden te hebben als docent, totdat de Eerste Wereldoorlog uitbrak.

Plastische chirurgie

Tonks voelde zich geroepen om iets praktisch te gaan doen met zijn medische opleiding. Hij was te oud voor actieve dienst en werd burgervrijwilliger in een militair ziekenhuis in Frankrijk. Daar zag hij zaken die niet onder woorden te brengen waren: soldaten die ledematen hadden verloren of soldaten van wie de ledematen werden geamputeerd. De soldaten overleden vervolgens vrijwel allemaal als gevolg van ontstekingen. Tonks drukte zijn gevoelens uit in het aangrijpende schilderij van een soldaat in het hospitaal. Aan de gezichtsuitdrukking, maar nog meer aan de gespannen spieren wordt direct zichtbaar hoe erg deze soldaat lijdt.

Later in de oorlog wordt Tonks tewerkgesteld in het ziekenhuis in Aldershot. Daar worden de meest eenzame Tommy’s verpleegd – soldaten die op gruwelijke wijze in hun gezicht verminkt zijn door het moderne geweervuur. De plastische chirurgie stond nog maar in de kinderschoenen en de verminkte soldaten stonden eindeloos veel operaties te wachtten. Al snel werd in Aldershot de bijzondere combinatie van gaven bij Tonks ontdekt: medische kennis en uitzonderlijk tekentalent. En dus werd hij gevraagd om zo precies mogelijk tekeningen te maken van de schade aan het weefsel en reconstructietekeningen van botten en spieren. Het gaf hem meer voldoening dan hij als docent met als motto ”kunst omwille van de kunst” ooit had kunnen denken.

Fascinerend

”Het gezicht van een wereldrijk” staat vol met dit soort verhalen, en Schama vertelt ze op zijn eigen aansprekende manier. Hij kiest voor een thematische indeling. Achtereenvolgens komen het gezicht van de macht, het gezicht van de liefde, het gezicht van de roem, het gezicht in de spiegel (zelfportretten) en het gezicht van het volk aan bod.

Deze indeling is niet zo gelukkig gekozen, omdat de verschillende invalshoeken elkaar vaak overlappen. Zo vertelt Schama het verhaal van Tonks als docent op Slade in het deel over zelfportretten en doet hij Tonks portretkunst tijdens de Eerste Wereldoorlog uit de doeken in een ander deel. Groter manco is echter dat de chronologische lijn ontbreekt. Dit is moeilijk voor de lezer die niet tot in detail is ingevoerd in de geschiedenis van Groot-Brittannië. Het maakt het ook lastig om uit de enkele portretten conclusies over tijdperken te trekken, zoals Schama beoogt.

Toch blijft het vooral fascinerend om te zien hoe Schama zijn onderwerpen aan elkaar praat. De Britse historicus krijgt het voor elkaar om in één hoofdstuk te beginnen over Richard Cossway, hofschilder van kroonprins George, deze over te laten steken naar Parijs en hem John Trumbull te laten ontmoeten, de schilder van de latere Amerikaanse president Thomas Jefferson. Jefferson raakt in vuur en vlam over Maria Cossway en uit dit in een filosofische discussie, waarvan Schama een gedeelte overneemt in nog steeds hetzelfde hoofdstuk. De relatie met de geschiedenis van Groot-Brittannië zijn we door die zijwegen dan wel wat kwijt. De meeste nadruk ligt op de portretkunst van voor 1900, waarbij het begrip portret overigens heel breed wordt genomen: van schilderij tot foto, van beeldhouwwerk tot silhouetknipkunst. Het boek is steeds mooi verzorgd met passende illustraties.

Een enkele keer wordt er een theoretische beschouwing over kunst onder de loep genomen. Dit gebeurt bijvoorbeeld met het boekje van William Hogarth over de principes van goede kunst. Volgens Hogarth is goede kunst beweeglijk, wuivend en overvloedig, natuurlijk en druk. Schama omschrijft Hogarths boek als een heerlijke ratjetoe vanwege de veelheid van onderwerpen en zijwegen. Een betere typering van Schama’s boek is er eigenlijk niet te geven. Hij sluit af met een korte maar rake typering van het problematische van onze blik op voortdurend wisselende beelden en trekt zo al zijn verhalen alsnog in een groot perspectief. Daarvoor verdient hij lof.

Boekgegevens

”Het gezicht van een wereldrijk. Groot-Brittannië in portretten”, Simon Schama; uitg. Atlas Contact, Amsterdam, 2016; ISBN 978 90 450 3249 8; 592 blz.; € 39,99.