”De oorlog die mijn leven redde” is geen standaard oorlogsverhaal

„Als het heel erg werd, vluchtte ik naar een plekje ergens in mijn hoofd.” beeld Uitgeverij Callenbach

tekst Hans Mijnders

De eerste negen jaar van Ada’s leven zijn bepaald niet rooskleurig. Haar moeder schaamt zich voor de klompvoet van haar dochter en daarom mag Ada niet naar buiten. Ze ziet de wereld alleen door het raam van het eenkamerappartement in Londen.

Wanneer haar jongere broertje moet evacueren vanwege de bombardementen, vlucht ze met hem mee. Ze komen terecht bij Susan Smith, een alleenstaande vrouw die zegt „geen verstand van kinderen te hebben.”

Het verhaal in ”De oorlog die mijn leven redde” (voor kinderen van 10 tot 14 jaar) speelt zich af in de Tweede Wereldoorlog, maar is geen doorsneeoorlogsverhaal. Het is vooral het verhaal van Ada, die het gevoel heeft een mislukkeling te zijn waar iedereen op neerkijkt. Het boek gaat over haar strijd om met vallen en opstaan (zowel letterlijk als figuurlijk) te worden zoals andere kinderen. Haar doorzettingsvermogen om te leren lezen, ponyrijden en de wereld te leren kennen wordt zo beschreven dat de lezer intens met haar meeleeft.

Het hele boek door is Ada in gevecht met zichzelf. Het verdriet dat Ada vanbinnen voelt, is veel intenser dan de pijn die leren lopen op een klompvoet met zich meebrengt. „Als het heel erg werd, vluchtte ik naar een plekje ergens in mijn hoofd.” Ze moet leren dat ze fouten mag maken, zonder dat er gelijk straf volgt. Ook blijft de angst dat haar moeder haar „terug wilde hebben.” Het boek boeit vanaf de eerste bladzijde. Niet vanwege spannende oorlogsavonturen, maar vanwege de moed en het doorzettingsvermogen van Ada.