Besef van goed en kwaad verwijst naar hogere werkelijkheid

Algemeen
Foto EPA

Hoe kan een goede en almachtige God het kwaad toestaan?

„Als God goed was, zou Hij al zijn schepselen volmaakt gelukkig willen maken, en als Hij almachtig was zou Hij kunnen doen wat Hij wenste. Maar de schepselen zijn niet gelukkig. Daarom is God niet goed of niet almachtig of geen van beide.” Met deze probleemstelling begint C. S. Lewis zijn bespreking van het probleem van het kwaad en het lijden.

In deze bijdrage gaat het om een van de belangrijkste argumenten van de ongelovige om niet te geloven, namelijk het morele kwaad. De wereld kreunt onder het gewicht van het zinloze geweld. Het is nog maar even geleden dat in het Amerikaanse Newtown twintig jonge kinderen meedogenloos werden neergeschoten. Het is afschuwelijk om te bedenken hoeveel mensen er zijn omgekomen in de Tweede Wereldoorlog. We denken niet alleen aan Auschwitz, maar ook aan het lijden onder de regimes van Stalin en Mao.

Nog afschuwelijker is het om te bedenken hoe de slachtoffers zijn omgebracht. Nederlanders hebben meegedaan aan de slavenhandel waarbij mannen en vrouwen, jongens en meisjes in schepen werden gepropt, wekenlang in hun eigen vuil lagen, sommigen tijdens de reis stierven, gezinnen bij aankomst in de nieuwe wereld uit elkaar werden gerukt, als dieren op kwaliteit werden beoordeeld, naar een nieuwe naam moesten luisteren en hun leven verder sleten in een ellendig bestaan waarin zij na korte of langere tijd bezweken.

Ongewild en onbewust zijn we vandaag betrokken bij moderne vormen van slavernij. Onze goedkope kleren zijn nog wel eens afkomstig uit Azië. Wie zal zeggen hoeveel uren kinderen in donkere fabrieken moeten maken onder onhygiënische omstandigheden om onze luxe levens in stand te houden? Hoezeer we ook ons best doen, het zal ons niet lukken om compleet schone handen te houden. Door de globalisering grijpen de tentakels van het kwaad wereldwijd om zich heen.

Goed geschapen

Bij het doordenken van de Bijbelse grondpatronen dringt de vraag zich op hoe de zonde in de schepping kon komen als God deze wereld goed heeft geschapen. De argumentatie die het meest wordt gebruikt om het kwaad te duiden is de zogenaamde ”free will defense”. Hiermee wordt bedoeld dat God de mens niet als een marionet of robot heeft geschapen, maar als een persoon met een vrije wil. God heeft de mens zo geschapen dat hij in staat was om God vrijwillig lief te hebben. De keerzijde hiervan was evenwel dat de mens ook de mogelijkheid had om God niet lief te hebben. Echte vrijheid impliceert namelijk de mogelijkheid om het kwaad te kunnen doen. Zo laat God ons zien dat Hij ons buitengewoon serieus neemt en dat onze daden er wel degelijk toe doen. Het is niet zo dat ons leven een soort simulator is waarin het niet uitmaakt welke fouten we maken.

Genesis 3 en Romeinen 5 leren ons dat er een belangrijke waarheid in deze benadering zit. Mensen handelen niet als marionetten, maar zijn werkelijk verantwoordelijk. Toch blijft het nodig dat we ons realiseren dat hiermee geen totaalverklaring is gegeven voor al het kwaad.

In de eerste plaats wordt in deze benadering alleen het morele kwaad geduid. De vraag naar het natuurlijke kwaad blijft staan, zoals de aangrijpende verschrikkingen van aardbevingen en andere natuurrampen. Waarom heeft het ene volk daar meer mee te maken dan het andere volk?

In de tweede plaats roept deze benadering ook vragen op in verband met het morele kwaad. De Schrift tekent ons de boze machten van duivelen om aan te geven dat de mens niet de enige en de eerste is die verantwoordelijk is voor het kwaad in de wereld. Deze noties geven minstens aan dat de kwestie van het morele kwaad complexer is dan de simpele vrije wil van de mens.

Er is nog een vraag in verband met het morele kwaad. De verdedigers hiervan benadrukken sterk dat het kwade de logische keerzijde van het goede is, zodat er van goed geen sprake kan zijn zonder kwaad. Dus moreel goed zonder de mogelijkheid van moreel kwaad is een logische onmogelijkheid. Kunnen we dit zeggen? God kan geen kwaad doen, terwijl Hij tegelijkertijd volstrekt vrij is. Dit betekent dat vrijheid niet de logische mogelijkheid voor het kwade impliceert.

Dat blijkt ook in Gods toekomst. Dan zal het kwaad zijn uitgebannen, terwijl de geredde mensheid God in liefde zal dienen. Augustinus sprak in dit verband van het ”non posse peccare” (niet kunnen zondigen) in onderscheid met de positie van de schepping: ”posse peccare” (kunnen zondigen). In het eschaton is er de hoogste vrijheid zonder dat er nog een mogelijkheid van kwaad is. Dit is een paradox: de liefde wil noodzakelijk en tegelijkertijd vrijwillig het goede. Kortom, de free will defense heeft nut, maar deze benadering kan geen totaalantwoord op de vraag naar het morele kwaad zijn.

Boven onszelf

We kunnen wel iets anders zeggen. Atheïsten zoals Dawkins en Philipse zijn ervan overtuigd dat het geloof in God niet nodig is voor moraal. Er is evenwel alle reden om te stellen dat een blind, toevallig en immoreel natuurlijk proces als evolutie op geen enkele manier tot een bindende moraal kan leiden. Het tegendeel is ook waar. Het besef van moreel kwaad verwijst ons naar iets boven onszelf, naar een hogere standaard voor goed en kwaad.

In het leven van C. S. Lewis heeft het zo gefunctioneerd, schrijft hij in zijn ”Onversneden christendom”: „Mijn argument tegen God was dat het universum zo wreed en onrechtvaardig leek te zijn. Maar hoe kwam ik aan dit denkbeeld van recht en onrecht? Je noemt een lijn niet krom zonder dat je een voorstelling hebt van een rechte (…) Natuurlijk had ik mijn idee van rechtvaardigheid kunnen loslaten door te zeggen dat het alleen maar een persoonlijk idee van mijzelf is. Maar als ik dat deed, zou mijn hele argument tegen God ook in duigen vallen (…). Dus precies terwijl ik bezig was te bewijzen dat God niet bestaat, bleek ik noodgedwongen ervan uit te gaan dat één stukje van de werkelijkheid –namelijk mijn voorstelling van rechtvaardigheid– vol betekenis is. Het atheïsme blijkt dan ook te simpel te zijn. Als het heelal niets betekende, zouden we nooit hebben ontdekt dat het niets betekende.”

Dr. W. van Vlastuin, docent dogmatiek en apologetiek aan het Hersteld Hervormd Seminarie in Amsterdam. Heeft u een vraag voor deze rubriek of wilt u reageren? weerwoord@refdag.nl

Verder lezen over dit onderwerp

Brink, G. van den, Het probleem van het kwaad. Gedachten over God en het lijden. Apeldoorn: Willem de Zwijgerstichting, 1997.

Brink, G.A. van den, Er is geen God en Philipse is zijn profeeet. De onredelijkheid van een atheïst. Kampen: Kok 2010.

Lewis, C.S., Het probleem van het lijden. Kok: Kampen, 20083.

Lewis, C.S., Onversneden christendom. Kampen: Kok, 20097.

Markus, A., ‘God en het lijden: over de vraag waarom God het kwaad in deze wereld niet voorkomt.’ In Verantwoorde hoop. Apologetische thema’s, red. J. Hoek, 114-139. Heerenveen: Groen, 2011.

Veluw, A.H. van, Waar komt het kwaad vandaan? Over God, schepping, evolutie en de oorsprong van het kwaad. Heerenveen: Groen, 2010.

Wright, C.J.H., De God die ik niet begrijp. Over lastige geloofskwesties. Barneveld: De Vuurbaak, 2010.

Plantinga, A., God, Freedom and Evil. Grand Rapids: Eerdmans, 1977.

Carson, D.A., How Long, O Lord? Reflections on Suffering and Evil. Grand Rapids: Baker, 1990.