Aramese taal en cultuur herleeft in Jish

JISH – Shadi Khallul, die zich beijvert voor het behoud van de Aramese taal en cultuur, woont in het Israëlische dorpje Jish, niet ver van de grens met Libanon. Foto Alfred Muller Alfred Muller
3

JISH – In het Israëlische dorpje Jish, niet ver van de grens met Libanon, spannen Aramees-maronitische christenen zich in voor de herleving van de Aramese taal en cultuur. „De taal is in zestig jaar niet onderwezen. Nu krijgen mensen ’m weer onder de knie.”

Jish wordt in het Hebreeuws ook wel Gush Halav genoemd, naar een Joods dorp in de Tweede Tempelperiode dat bekend was vanwege zijn vruchtbare land. In het dorp zijn de overblijfselen nog te zien van een oude synagoge. Joden wonen er vandaag de dag niet meer. Maronieten maken meer dan de helft van de 3000 inwoners uit, de overigen zijn vooral moslims.

Maronieten ontlenen hun naam aan de kluizenaar Sint-Maron, die in 410 stierf. Na de Arabisch-islamitische invasie in de zevende eeuw vestigden zij zich in de bergen van Libanon. Zij beschouwen zichzelf niet als Arabieren.

Shadi Khallul is een belangrijk voorvechter van de Aramese taal en cultuur. Zijn familie komt uit het dorpje Biram – dat in de verte zichtbaar is. De bevolking moest tijdens de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog in 1948 haar dorp verlaten en kreeg daarna geen toestemming om terug te keren.

Khallul legt er de nadruk op dat hij loyaal aan Israël wil zijn. Hij wil dat Israël bestaat als Joodse natie. Maar hij wil ook toestemming krijgen om terug te keren. „Fouten moeten worden gecorrigeerd”, zegt hij. „Ik wil wonen op het land waar mijn grootouders werkten. Ik wil Israëlisch burger zijn, maar in mijn eigen plaats wonen. Dit is het enige Aramees-maronitische dorp in Israël waar ik mijn Aramese taal, cultuur en erfgoed kan bewaren. Het is in het belang van Israëls legitimiteit als Joodse en democratische staat om een Aramees dorp toe te staan en een Aramese minderheid te accepteren. Wij zijn bondgenoten, want wij hielpen in de Tweede Wereldoorlog Joden via Libanon maar het land Israël te vluchten.”

Voor 1948, zegt Khallul, onderwees een priester in Biram het Aramees op school. „Na de oorlog van 1948 ontstond er verwarring. De mensen werden ingedeeld als Arabieren of Joden. Het onderwijssysteem dat wij kregen, was het Arabische. De Joden beschouwden ons als Arabieren.”

De liefde voor de eigen taal en cultuur bleef echter bestaan. Drie jaar geleden richtten hij en anderen een non-profitorganisatie voor Aramese taal en cultuur op. Doel is zich in te zetten voor de herleving van een oude taal. De maronieten die meedoen, komen niet alleen uit Jish, maar ook uit andere plaatsen, waaronder Haifa, Nazareth en Akko. Bovendien bevinden er zich veel maronieten onder de 2000 militairen van het Zuid-Libanese leger en hun gezinnen die in 2000 naar Israël vluchtten.

Uiterst belangrijk vindt hij het dat maronieten die het Aramees vergeten zijn, weer aan de studie gaan. „De mensen bidden in de kerk in het Aramees, maar ze weten niet eens wat ze bidden. Dat is belachelijk. De taal is in zestig jaar niet onderwezen. Nu krijgen ze hem weer onder de knie. Ze houden de taal levend in de harten van zichzelf en hun kinderen.” Hij hoopt dat er ook in andere landen centra voor de Aramese taal en cultuur kunnen worden opgezet.

Het Israëlische ministerie van Onderwijs gaf toestemming om Aramese lessen op school te geven. Het was niet gemakkelijk die te krijgen. Het ministerie vroeg de maronieten aan te tonen dat ze de lessen echt gaven. „We maakten video’s van de lessen in de kerk en schreven een rapport. Toen het ministerie dat zag, keurde het de lessen op school goed. We onderwijzen nu Aramees aan 120 kinderen in de leeftijd van 6 tot 9 jaar. Elk leerjaar komt er een klas bij. De lessen zijn niet verplicht. Maar slechts twee christelijke kinderen komen niet naar de lessen. De moslims krijgen ondertussen kunstlessen.”

Khallul onderwijst de oude Semitische taal ook aan een groep volwassenen. Buitenlanders zijn welkom om een paar maanden in Jish als vrijwilliger te werken en ondertussen taalstudie te doen.

Aan het ministerie van Binnenlandse Zaken vroeg hij in zijn Israëlische identiteitskaart te zetten dat hij Arameeër is – net zoals Joden in hun identiteitskaart hebben staan dat ze Joden zijn. Het antwoord luidde: „Ga maar naar het hooggerechtshof om dat aan te vragen.”

Khallul: „Ik geef om mijn cultuur en nationaliteit. Mensen die hun eigen cultuur niet beschermen, hebben geen toekomst.”


Net als het Hebreeuws 22 letters

Net als het Hebreeuws telt het Aramees 22 letters, die van rechts naar links worden geschreven. Het Aramees was een levende taal in de tijd van Jezus. Tussen de derde en de achtste eeuw ontwikkelde zich de Aramese christelijke literatuur. Kenners zeggen dat de bibliotheken vol liggen met manuscripten die nog niet door wetenschappers zijn bestudeerd. Ook de Talmoed –de Joodse mondelinge leer– is in het Aramees geschreven.

Nadat de moslims in de zevende eeuw het Nabije Oosten veroverden, nam de invloed van het Aramees onder druk van het Arabisch af.

Het Aramees is ook van groot belang voor kerkhistorici.