Arabische lente testcase waar diepste loyaliteit van christen ligt

Illustratie RD

De omwentelingen in de Arabische wereld geven ons lentekriebels. Vrijheid en democratie in relatie tot het Midden-Oosten lijken nu realiteit te kunnen worden. Of toch niet? Zal de Arabische lente niet uitlopen op een Arabische winter?

De Arabische wereld is niet meer te herkennen. Vier dictatoren hebben in het afgelopen jaar het veld moeten ruimen, in Tunesië, Libië, Egypte en Jemen. De positie van de president van Syrië lijkt te wankelen en in alle andere Arabische landen, inclusief Saudi-Arabië, klinkt de roep om hervormingen. Een jaar geleden had niemand dat kunnen denken. Eindelijk dringt democratie ook door in de islamitische wereld.

Maar is dat project niet bij voorbaat gedoemd te mislukken? Gaan islam en democratie wel echt samen? Laten talloze incidenten nu al niet zien dat de Arabische lente geen toekomst heeft? Met name christenen vragen zich af of er nog wel toekomst voor hen is in een Arabische wereld zonder dictators, zeker nu de conservatieve islam in Egypte en Tunesië veel macht lijkt te krijgen. Ook lijken de anti-Israëlische sentimenten toe te nemen. Er klinken stemmen in Egypte om de vredesverdragen met Israël op te zeggen.

Diversiteit

De vraag die velen bezighoudt is: Hoe zal het aflopen met de Arabische lente? En hoe moeten christenen zich daarop voorbereiden? Natuurlijk weet niemand dat echt, zelfs de beste trendwatchers niet. Toch is er wel een aantal zinvolle kanttekeningen bij de Arabische lente te maken.

1. Om te beginnen is er niet één Arabische lente, maar een diversiteit aan bewegingen. Tunesië en Jemen verschillen net zo veel van elkaar als Griekenland en Duitsland in de eurocrisis. De Arabische wereld is een verzameling van zeer verschillende culturen, economieën, religieuze stromingen en sociale systemen.

In Libië is met de val van Gaddafi de hele bestuursstructuur verdwenen en moet alles weer van de grond af worden opgebouwd. In Egypte en Jemen zijn alleen de dictators weg, maar is veel in het land hetzelfde gebleven. Tunesië blijkt juist weer heel veel potentie te hebben voor nieuwe partijen en maatschappelijke groeperingen.

De situatie in Marokko en Jordanië heeft nog weer een heel eigen dimensie. De koningen van deze landen worden gezien als afstammelingen van de islamitische profeet Mohammed. Zij zullen daarom niet gauw door de islamitische bevolking worden afgezet. Ze beseffen wel dat hervormingen geen overbodige luxe zijn.

Hoe de Arabische lente zich zal ontwikkelen hangt dus sterk af van de lokale situatie en we zullen per land moeten bezien wat er gaat gebeuren.

2. Deze grote diversiteit in de Arabische landen betekent vervolgens ook dat de Arabische lente voor christenen heel verschillend zal uitpakken. De positie van christenen is ook per land verschillend. In Egypte is er bijvoorbeeld een relatief grote gemeenschap van christenen die het weliswaar niet eenvoudig heeft, en ook als minderheid veelvuldig gediscrimineerd wordt, maar toch een zichtbare plaats in de samenleving heeft. In de meeste Noord-Afrikaanse landen zijn daarentegen nauwelijks autochtone christenen. De officiële kerken zijn er voor de migranten en gastarbeiders, die betrekkelijk weinig van nieuwe regimes te vrezen hebben. In Syrië hebben christenen relatief veel vrijheid gehad, maar hun langdurige loyaliteit aan het regime van Assad (vader en zoon), maakt hen kwetsbaar voor een eventuele omwenteling. Als je een regime steunt dat geweld niet schuwt, word je snel doelwit van wraak en geweld van toekomstige nieuwe machthebbers.

Moslims die Jezus Christus zijn gaan volgen, hebben het in alle landen zwaar. Als bekend wordt dat zij zich bekeerd hebben, kunnen ze hun familie kwijtraken, hun gezin, hun baan en toekomstmogelijkheden. Zelfs hun leven komt in gevaar. De toekomst ziet er voor christenen dus heel verschillend uit. In sommige landen zal de vrijheid van christenen (nog meer) onder druk komen te staan. In andere landen komen er juist weer nieuwe mogelijkheden. Een christen uit Syrië schreef onlangs in CV-Koers dat angst en zorg niet onterecht zijn, maar dat er ook nieuwe kansen zijn om het Evangelie vrijer uit te leven.

3. In de derde plaats zullen we ervan doordrongen moeten zijn dat een Arabische democratie er anders zal uitzien dan een westerse. Cultuur en geschiedenis van de Arabische wereld verschillen zo zeer van die in het Westen, dat die ook consequenties heeft voor het streven naar democratie. Westerse democratie kenmerkt zich door een grote nadruk op (het recht van) het individu. Elke stem telt even zwaar. Dat is in de Arabische cultuur anders. Daar draait het leven om de gemeenschap, ook in christelijke kringen. Elke vorm van democratie zal in de Arabische wereld gebouwd zijn op gemeenschapsvormen en hiërarchische verhoudingen binnen die gemeenschappen. Dat geeft een ander perspectief op de positie van minderheden, op de verhouding tussen mannen en vrouwen, de rol van het hoofd van een stamverband, vrijheid van meningsuiting etc. Maar dat hoeft niet per definitie antidemocratisch te zijn.

Een ander verschilpunt is dat onze westerse democratie sterk seculier van karakter is. De overheid en het publieke domein zijn neutraal. De Arabische wereld daarentegen is door en door religieus. Iedereen gelooft, zelfs wie weinig met geloof heeft. Een puur seculiere democratie is op dit moment in de Arabische wereld uitgesloten. Dat islamitische partijen de meerderheid krijgen van de islamitische bevolking hoeft dan ook niet te verbazen. Het betekent ook niet direct dat de situatie voor christenen per definitie verslechtert. De vraag is: op welke wijze willen deze partijen hun religieuze wortels vormgeven in de samenleving? En welke ruimte is er daarbij voor anderen, in het bijzonder voor religieuze minderheden? Dat is nog lang niet beslist.

Krijgt de Arabische wereld de ruimte en de tijd om een eigen vorm van democratie te ontwikkelen? Erkennen wij meerdere vormen van democratie of vinden wij –ook als christenen– dat onze vorm van democratie en cultuur superieur is aan welke andere vorm dan ook? Dat laatste heeft iets arrogants. Het is ook de vraag of zich dat verdraagt met het vreemdelingschap van christenen. Elke vorm van cultuur en democratie heeft iets voorlopigs en kan niet met het Koninkrijk van God worden geïdentificeerd. Dat zou ons kritisch moeten maken, ook op onze eigen vormen van cultuur en democratie.

Een groot gevaar is, dat we met geweld een vorm van westerse democratie aan de Arabische wereld willen opdringen. Dat werkt averechts: het creëert ook bij gematigde moslims gemakkelijk weerstand tegen vernieuwing. Mensen willen wel vrijheid, maar lang niet altijd op de westerse seculiere manier.

Westers paternalisme werkt in dezen ook voor lokale christenen vaak niet goed uit. Omwentelingen gaan meestal gepaard met een periode van chaos. Voor Arabische christenen is dat een spannende tijd. Als minderheden zijn ze uiterst kwetsbaar voor sektarisch geweld en discriminatie. Westerse druk maakt het voor hen daarin lang niet altijd beter. Zij worden toch al vaak door moslims gezien als voorhoede van westerse culturele en politieke expansiedrang.

Wat betekent dit alles nu voor de toekomst van de Arabische lente? De stelling dat er sprake is van een Arabische herfst of zelfs winter, verdraagt zich niet met de feiten. De omgekeerde stelling, dat het eindelijk zomer is, gaat ook wel erg kort door de bocht. Er is wel degelijk reden tot zorg. Het bloedbad dat op 9 oktober is aangericht onder koptische christenen in Egypte en de toenemende steun voor salafistische stromingen in de hele Arabische wereld beloven weinig goeds. De antichristelijke kreten en oproepen in diverse landen zijn zorgelijk.

Er is anderzijds ook reden tot hoop. Moslims en christenen die nooit met elkaar omgingen, leren elkaar vandaag kennen. Moslims en christenen trekken samen op en beschermen waar nodig samen kerken. Er zijn vele moslims die het in de sociale media voor Arabische christenen opnemen en zich uitspreken tegen het geweld. Yussef Sidhom, hoofdredacteur van het koptische weekblad Watani in Egypte, is bezorgd, maar ziet ook nieuwe mogelijkheden. Zijn gesprekken met de leiders van de partij van de moslimbroederschap stemmen hem hoopvol; zij gaven aan begrip te hebben voor de angst van christenen en leken bereid om met christenen samen te werken.

We zullen voorzichtig moeten zijn met al te stellige uitspraken over de toekomst. In ieder geval past de christelijke gemeenschap geen doemdenken of een denken in worstcasescenario’s, het uitgaan van de meest negatieve mogelijkheid.

Daarvoor is echter een belangrijkere reden dan wat er op dit moment daadwerkelijk in de Arabische wereld gebeurt. Jezus roept namelijk Zijn discipelen, de gemeente van Christus, in de Bergrede op niet bezorgd te zijn over de toekomst (Matt. 6:34). Dat gaat dieper dan de populaire spreuk dat een mens het meeste lijdt aan het lijden dat hij vreest, maar dat niet op komt dagen en zo meer te lijden heeft dan God te dragen geeft. Hoe waar dat ook is, Jezus rekent wel degelijk ook met kwade dagen. Hij benadrukt echter dat we ons over wat nog komt geen zorgen moeten maken, omdat –vrij vertaald– de Heere God ook morgen voor Zijn kinderen zal zorgen. Onze zorg moet uitgaan naar God Zelf, Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid, wie het morgen ook voor het zeggen hebben.

Aansporing tot geloof

Natuurlijk is dat geen kant-en-klare oplossing. Het is begrijpelijk dat christenen zich zorgen maken, zeker als we zien wat er met christenen in bepaalde delen van de Arabische wereld gebeurt. En ik vind het bemoedigend dat Jezus dit in de Bergrede expliciet benoemt. In Zijn oproep tot vertrouwen, erkent Hij namelijk onze zorg en onze angst en spreekt Hij ons er juist daarom op aan.

Tegelijkertijd is de oproep niet bezorgd te zijn ook een aansporing tot geloof. Wie in worstcasescenario’s denkt, rekent eigenlijk niet meer met het werk van God in de geschiedenis. Die gaat ervan uit dat de werkelijkheid God boven het hoofd groeit en dat Hij de meest extremistische moslims niet meer kan besturen. Of dat Hij geen raad meer weet in de meest vreselijke omstandigheden.

Het denken in worstcasescenario’s leidt bovendien makkelijk tot een soort slachtoffermentaliteit: „Zie je wel, als de islamisten aan de macht komen, zijn wij weer de dupe.” Dat leidt weer tot isolatie en verharding; de ander is de boosdoener. Het is ontroerend om te merken hoezeer diverse kopten en andere vervolgde christenen zich niet in de slachtofferrol laten drukken. Telkens weer hoor je her en der de bereidheid tot vergeving van daders van geweld. Dat is het tegenovergestelde van de slachtoffermentaliteit. Dat is kwetsbaar en niet zonder risico. Maar het past wel bij de navolging van Jezus Christus. „Want God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid, maar van kracht en liefde en bezonnenheid” (2 Tim. 1:7).

Theologie van het lijden

Wat is het alternatief voor een slachtoffermentaliteit of het rekenen met de meest slechte scenario’s? Allereerst dat we weer een Bijbels denkkader hebben voor de vragen van lijden en vervolging. In het Westen zijn op dit moment de welvaartstheologieën erg populair, dat wil zeggen de gedachte dat geloven in Jezus Christus betekent dat het je materieel, geestelijk en fysiek goed gaat. Ook als we die theologie niet expliciet aanhangen, wordt dit soort denken in ons leven vaak zichtbaar. Wat we nodig hebben, is een theologie die ons leert omgaan met lijden en vervolging.

Veel organisaties die zich inzetten voor vervolgde christenen gunnen zich weinig tijd voor theologische reflectie. Dat is begrijpelijk, maar om vervolgde christenen goed te kunnen steunen, is dit wel nodig. Daarom het is verheugend dat Open Doors ds. Ron van der Spoel als directeur kerk en theologie heeft aangesteld. Christenen wereldwijd zijn meer gebaat bij weerbaarheidstrainingen, die hen om leren gaan met tegenwind en vervolging, dan met het demoniseren van de islam.

Testcase

In de tweede plaats daagt de Arabische lente christenen uit zich te bezinnen op hun loyaliteiten in deze wereld. Anders gezegd: met welke regimes identificeren wij ons en waarom? De steun van het Westen en van christenen aan bepaalde regimes is vaak ingegeven door de angst voor islamisten. Christenen zouden gebaat zijn bij sterke mannen als Mubarak en Assad. En dat zal tot op zekere hoogte ook wel zo zijn geweest. Maar tot welke prijs? Vandaag zijn christenen daarover nog steeds in verwarring. Want Assad voert een meedogenloos beleid. We zijn (terecht) verontwaardigd over de vele doden die bij demonstraties vallen. Hafez al-Assad, de vader van de huidige president, was in het verleden echter nog veel wreder; in Hama werden in de jaren 80 waarschijnlijk 20.000 tot 40.000 tegenstanders vermoord. Zonder hier Syrische christenen te veroordelen –ik zou niet weten hoe ik mij in hun positie zou opstellen– vraag ik me af of dit de integriteit van Evangelie niet op het spel zet.

Wat zegt het over het Evangelie, dat het Westen en westerse christenen regelmatig steun hebben gegeven aan dictatoriale regimes, in Irak, Saudi-Arabië en Egypte? Omwille van olie, van het onderdrukken van extremisme, omwille van de positie van christenen? Hebben we daarmee de waarde van olie en vrijheid niet op een hoger plan gezet dan de eer van God? Een dergelijke houding staat heel dicht bij het slachtofferdenken. Uiteindelijk denken we dan dat onze veiligheid door de Heere God onvoldoende gewaarborgd wordt, en dat we extra steun van aardse politieke systemen nodig hebben. Dat mag ons aan het denken zetten.

Ten diepste zie ik de Arabische lente als een testcase. Niet zozeer of islam en democratie samengaan, maar of wij als christenen werkelijk leven uit de kracht van het Koninkrijk van Christus, dat niet van deze wereld is. Hoe Arabische christenen dat in hun ongelofelijk complexe situatie vormgeven, kan ik als westerling niet bepalen. Ik kan alleen maar biddend mijn broeders en zusters waar mogelijk ondersteunen. Het dwingt mij in ieder geval opnieuw na te denken over wat het Evangelie mij mag kosten en waar mijn diepste loyaliteit in deze wereld ligt.


Prof. dr. B. J. G. Reitsma

Bernhard Reitsma is theoloog en als bijzonder hoogleraar kerk in de context van de islam verbonden aan de Vrije Universiteit. Hij werkt ook als projectleider islam en docent missiologie aan de Christelijke Hogeschool Ede. Tussen 1998 en 2005 woonde hij met zijn gezin in Libanon, waar hij namens de Gereformeerde Zendingsbond onder andere doceerde aan The Near East School of Theology en het Baptistenseminarie. Na zijn terugkeer in Nederland was hij enige tijd verbonden aan Open Doors International.