„Ambt mag niet domineren”

VEENENDAAL – De Stichting Studie der Nadere Reformatie hield zaterdag in Veenendaal haar tweede lezing van dit winterseizoen. L. J. van Valen sprak over de Engelse puritein John Robinson. Foto Erik Kottier Erik Kottier

„Van de congregationalistische puriteinse gemeenten kunnen we leren dat de ambten niet te dominant mogen worden”, stelde L. J. van Valen zaterdag tijdens de tweede lezing van de wintercursus van de Stichting Studie der Nadere Reformatie (SSNR) in Veenendaal.

De SSNR houdt sinds 1995 cursussen over vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie en aanverwante groepen. De wintercursus van dit seizoen staat in het teken van puriteinen in de zeventiende eeuw die in de Republiek verbleven.

De puriteinen, Engelse protestanten die streefden naar zuiverheid van godsdienst en levenswandel, hadden verwantschap met de Nadere Reformatie. De rode draad in de cursus is de vraag waarom ze naar Nederland gekomen zijn en in hoeverre ze invloed gehad hebben op de Nadere Reformatie.

Cursusleider dr. R. Bisschop deelde mee dat zich ruim 130 deelnemers voor de cursus hebben aangemeld, een bovengemiddeld aantal. Daarmee blijft de belangstelling voor de Nadere Reformatie onverminderd groot. Voor de thematiek van de cursus is gekozen, aldus Bisschop, om daarmee de internationale dimensie van de Nadere Reformatie te laten zien. Hij vindt het opvallend dat deze Engelsen geen blijvende relaties hadden met de mensen van de Nadere Reformatie en dat ze kerkelijk niet integreerden in de Nederlandse kerk, terwijl de Waalse kerk ten tijde van de Republiek wel deel uitmaakte van de synode van de gereformeerde kerk.

Op 14 november hield prof. dr. W. van ’t Spijker een algemene inleiding over het thema en sprak daarbij over Robert Browne (1540-1630). L. J. van Valen besprak zaterdag John Robinson (1575-1625). Kerkhistoricus Van Valen liet zien dat er weliswaar verbindingslijnen tussen Robinson en de Nadere Reformatie te trekken zijn, maar dat die gering in aantal blijken. Mogelijk heeft de Engelsman de nadere reformator Willem Teellinck ontmoet. Van Valen haalde een brief aan van de Leidse hoogleraar Walaeus, die schreef dat Teellinck een zoon van Robinson een aanbeveling gaf voor een theologische studie in Leiden.

Robinson stond op goede voet met een aantal Leidse hoogleraren en Nederlandse predikanten. Professor Polyander vroeg de uitgesproken contraremonstrant om in debat te gaan met de remonstrant Episcopius.

De puritein had Engeland verlaten vanwege zijn separatistische standpunt. Hij scheidde zich, met vele anderen, af van de Anglicaanse Kerk, die hij een valse kerk noemde. Robinson vond het de plicht van gelovigen om die kerk te verlaten. Hij beschouwde de gereformeerde kerk in de Republiek niet als een valse kerk. Na zijn dood gingen de overgebleven leden van zijn gemeente daarheen over.

Door de vervolging van afgescheidenen week Robinson uit naar Nederland en vestigde zich in Amsterdam, waar onder de Engelse afgescheidenen veel ruzie was. Daarom verhuisde hij in 1609 met de leden van zijn gemeente naar Leiden. Hij zou daar de voorganger worden van degenen die later de Pilgrim Fathers zouden worden genoemd. In 1620 verliet een groot deel van Robinsons gemeente Leiden en vertrok naar Amerika, waar ze een gemeenschap met zelfbestuur vormden. Later zouden velen hen volgen. Robinson vond zich te oud om mee te gaan. Hij heeft een afscheidspreek voor hen gehouden in het kerkgebouw aan de Kloksteeg in Leiden.

De Pilgrim Fathers konden het niet in Nederland vinden, omdat ze de zondagsheiliging niet strikt genoeg vonden en omdat de Leidse jeugd naar hun mening te losbandig was.

Van Valen stelde dat het congregationalistische standpunt (de zelfstandigheid van kerkelijke gemeenten) van de Engelse puriteinen veel ruzies veroorzaakt heeft. Hij zag echter ook een aantal goede kanten van deze organisatievorm. Een ervan is de meer democratische opzet. Lekenpredikers kregen in de puriteinse afgescheiden kerken tijdens de godsdienstoefeningen de gelegenheid om een woord te spreken. Robinson verdedigde de lekenprekers met een beroep op de kerkorde van Emden en hij moedigde kerkleden aan om hun gaven beschikbaar te stellen. „De ambtsstructuur in de Nederlandse presbyteriale kerken kan ertoe leiden dat ouderlingen en predikanten een te groot stempel drukken op een gemeente”, aldus Van Valen

Hij vroeg in navolging van lekenpreken aandacht voor het opzetten van gebeds- en Bijbelgroepen. „Als je deze groepen geen ruimte geeft, kan het zijn dat met name jongeren meer aansluiting zoeken bij evangelische groepen.”

Komende maanden volgen referaten over Guilelmus Amesius (prof. dr. A. de Reuver), over John Living­stone (dr. H. Florijn), over Thomas Goodwin (prof. dr. W. J. op ’t Hof) en over Robert McWard (drs. C. J. Meeuse).